













Je kunt het niet meteen verwerken, moet alles even laten bezinken. Maar ook na een paar dagen grijpt het je nog naar de keel, het beeld dat blijft hangen na een bezoek aan de plekken waar je kunt ervaren wat de Rode Khmer in Cambodja heeft aangericht tussen 1975 en 1979. Een rondgang door martelgevangenis Tuol Sleng en langs de kuilen op het veld dat wereldwijd bekend is geworden als The killing fields vult je hoofd met verwarring, onbegrip, woede, verbijstering. Hoe is het mogelijk dat er nog wordt gelachen in dit land?
Cambodjanen geven graag en vaak af op de roofdieren uit Vietnam en Thailand, die hier alles willen inpikken. Maar het waren gewoon Cambodjanen die nog maar kort geleden de grootste tragedie in de geschiedenis van het land veroorzaakten. Onder aanvoering van Broeder Nummer Eén, Pol Pot, zagen zij kans om in drie jaar, acht maanden en twintig dagen bijna drie miljoen landgenoten (van de acht miljoen die er toen waren) de dood in te jagen.
Uitgehongerd, tot waanzin en zelfmoord gedreven, sadistisch gemarteld. Wie de pech had dan nog in leven te zijn, werd systematisch afgeslacht op een van de tientallen executieplaatsen: killing fields, of killing caves (want het was best handig om subversieven op de rand van een diepe kloof de hersens in te slaan.
‘Waarom heeft Angkar, de organisatie, jou gearresteerd?’ Zo klonk de simpele vraag aan al die tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen die terecht kwamen in een van de detentiecentra van de Rode Khmer, zoals de voormalige basisschool 21 in een buitenwijk van Phnom Penh. Bijna niemand had iets misdaan, of was zich van enig kwaad bewust. Dát volhouden had even weinig zin als bekennen wat je werd aangewreven. Elk antwoord was fout.
Met armen en voeten vastgeketend aan metalen britsen waren de arme Cambodjanen overgeleverd aan de luimen van hun beulen, die onmogelijk kunnen hebben geweten van welk morbide hoger plan zij deel uitmaakten. Zo ongeveer alle intellectuelen in het land belandden in de kerkers, maar ook iedereen die daar op leek (brildragers!), ambtenaren en mensen die zo dom waren geweest in de stad te wonen, terwijl ze toch hadden moeten snappen dat alleen de kleine boeren het land vooruit brengen. Aldus De Organisatie.
‘Wat heb jij Angkar misdaan?’ Elk ongewenst antwoord, eigenlijk dus elk antwoord, werd afgestraft met afranselingen, stroomstoten en bijna-verdrinkingen waarbij vergeleken ‘waterboarding’ een onschuldig verzetje is.
De schommels op het schoolplein werden gebruikt om mensen op te hijsen, aan hun achter op de rug gebonden armen. Als ze bewusteloos in de touwen hingen, werden ze omlaag gehaald en wakker gemaakt door onderdompeling in een grote kruik met water. De beulen ontdekten dat dit wat sneller ging als er kunstmest door het water werd gemengd, die normaal werd gebruikt voor de bemesting van de schooltuintjes. Heel handig, want dan kon nog sneller de vraag worden herhaald: ‘Wat heb jij Angkar misdaan?’
De Organisatie ging geslepen te werk. Om het krijsen op de killing fields te maskeren, werd uit grote luidsprekers revolutionaire muziek over het terrein geblazen. De stank van de honderden lichamen werd aangepakt door ze te bestrooien met DDT, wat ook heel goed hielp om mensen die per abuis nog levend in een kuil waren beland de genadeslag te geven. En waar het kon, werden hele families tegelijk uitgemoord, om te voorkomen dat er nog iemand zou overschieten die wraakgevoelens zou kunnen omzetten in een misdaad tegen Angkar. Daarvoor had Pol Pot een heldere filosofie: Als je gras wilt onderhouden, zul je al het onkruid moeten wieden.
Het gebeurde eigenlijk nog maar heel kort geleden. Een generatie is weggevaagd, maar in het gewone leven in Cambodja is er niets meer van te merken. De mensen hijsen zich nu uit vrije wil met zijn twintigen in de achterbak van een pickup truck. En ze lachen erbij, zoals bij alles in dit land. We kijken niet terug, maar vooruit. En we bidden voor good luck.














Toch moet je op je tellen passen. Cambodjanen proberen je met een vriendelijke glimlach op het gezicht meer te laten betalen dan nodig. Terwijl een local echt niet meer dan 500 riel (12,5 dollarcent) betaalt voor een gekoeld flesje water, horen toeristen de bekende echo ‘one dollar’ als ze vragen hoeveel het kost.
Ieder land kent zijn vaste gezegde dat je te pas en te onpas te horen krijgt. ‘Shit happens’, is de standaard zinsnede waarmee in de VS discussies in de kiem worden gesmoord. In Griekenland was ‘No problem!’ tientallen jaren de bezwering waarmee toeristen aan het lijntje werden gehouden. In Nederland is ‘Boeien!’ in zwang sinds ‘Lekker belangrijk!’ wat gedateerd is gaan klinken.
Cambodjanen op hun beurt lachen zich wild als ze horen dat wij een Partij voor de Dieren hebben, die ook echt mag meepraten in het parlement. Zij kunnen best aardig zijn voor hun hondjes en katten (die stompjes als staart zijn een speling der natuur, geen bewijs van mishandeling). Andere dieren moeten niet te veel zachtzinnigheid verwachten. Een koe wordt doodleuk (levend!) achterop de motor vastgesnoerd om naar een ander weitje te worden vervoerd en kippen maken hun ritje naar de markt (hun laatste) met tientallen tegelijk aan de poten vastgesnoerd op het dak van de auto. Bij een noodstop of scherp genomen bocht schieten de koppen verschrikt alle kanten op.
Er kan altijd meer bij, lijkt in het verkeer het parool. En dus zie je brommers en motoren met drie, vier, vijf mensen erop. Hele gezinnen hijsen zich op zo’n moto en je zult vergeefs zoeken naar een kinderzitje. Baby’s maken hun eerste gemotoriseerde ritje in veel gevallen op de dag van geboorte, onder de arm van mamma bij pa achterop. Daarna zullen er nog vele volgen. Slaapdronken bungelend onder een arm, vergezeld van broertjes en zusjes, waarvan er eentje al vroeg geleerd heeft voorop te staan, met twee handjes aan het stuur (want pappa heeft die van hem nodig om een prikker met saté tussen zijn tanden door te rissen).
Als er getankt moet worden, hoeft niemand lang te zoeken naar een benzinestation. Mocht je denken dat hier gele en rode cola wordt verkocht, dan vergis je je. In die oude glazen Pepsiflessen die je overal in rekjes in de kokende zon langs de weg ziet staan, zit benzine – klaar om in de tank van een moto of tuktuk te worden gekiept. Het lijkt wel of half Cambodja een eigen brandstofhandeltje heeft en zo lang er geen berichten zijn over vreselijke explosies zal dit lokale gebruik ook nog wel worden gedoogd.
Eten is trouwens ook een cultuurschok. Niet alleen omdat het zo heerlijk is, maar ook omdat het volstrekt normaal is om hooguit drie, vier dollar voor een hoofdgerecht te betalen – en dan krijg je er meestal ook gratis goed drinkwater bij. Je moet wel even oppassen wat je bestelt. De meeste kip op de kaart is zo ongeveer zoals wij het ook kennen, maar er wordt ook gevogelte verkocht dat met huid en haar – met de kop er nog op – is gefrituurd. Ligt er ineens een verschrikte vogel je aan te staren uit zijn krokante paneerlaagje.
De zakjes geel snot waarmee je kinderen, maar ook oudere Cambodjanen, over straat ziet lopen zijn al even vreemd. Nee, ze hebben geen goudvis gekocht in een boterhamzakje met slootwater en ze gaan ook niet met hun plas naar de dokter. Het is een zakje versgeperst sugarcane – suikkerriet – een lekkernij die straks het laatste restje glazuur van hun tanden zal wegvreten.