














Met Tiengemeten heb ik een liefde-haatverhouding. Ja, in die volgorde.
Het eiland in het Haringvliet, ten zuiden van de Hoeksche Waard, leerde ik kennen als jonge verslaggever. Het was particulier bezit. God regeerde nog onder de boeren die er woonden en werkten, maar van elk ander gebod trokken zij zich weinig aan.
De boeren en hun zonen reden in onverzekerde auto’s zonder deuren, waar bij elke poep gas een dikke rookpluim uit de uitlaat kwam. Ze kwamen je ermee ophalen als je door Wout Bijl, de veerman met één goed en één glazen oog, het Vuile Gat was overgezet.
Ik leerde Tiengemeten ook waarderen. Nergens anders vond je zulke uitgestrekte akkers, omzoomd door een schitterend Hollands landschap van beboomde dijken en machtige rivieren. Stijf lag het daar in de afgedamde zee-arm, alleen bevolkt door een paar boerenfamilies en verder vooral duizenden vogels. Een lilliputter die de kost verdiende als rattenvanger maakte het sprookje compleet.
In strenge winters raakte het eiland van de buitenwereld afgesneden, doordat zowel het Vuile Gat als het Haringvliet dichtvroren. De boeren probeerden zodra het kon de overkant te bereiken in een ‘boot op schenen’, een roeiboot waaronder ze glij-ijzers hadden gelast. De kinderen bleven verplicht thuis, of juist bij familie aan ‘d’n overkaant’, want zij konden niet meer elke dag met de pont worden overgezet.
Uiteraard was mijn krant, het Rotterdams Nieuwsblad, erbij toen adjudant Venema van de Rijkspolitie in Oud-Beijerland had geregeld dat de kinderen op vrijdagmiddag met de politiehelikopter naar huis werden gebracht. Venema vloog zelf mee om het tiental persoonlijk in de armen van hun ouders te geven. Op maandag belde hij mij pislink op, omdat in de krant een foto stond waaruit bleek dat ik, samen met fotografe Marieke Mandemaker, lopend over het ijs de krant van zaterdag was gaan bezorgen bij onze abonnees op Tiengemeten. ‘Als ze lezen dat je kunt lopen, krijgen we die heli niet meer!’, brieste hij.
De schoonheid van Tiengemeten viel op. De begerige ogen die op haar vielen, hadden echter weinig op met die schoonheid. Een depot voor giftig havenslib moest het worden. Dependance van de Rotterdamse haven. Locatie voor een nieuwe nationale luchthaven. Nee, een kerncentrale! Maar de boer, hij ploegde voort. Jaar na jaar, plan na plan, was er steeds één zekerheid: als de almachtige het wilde, werden vrachtwagens vol bieten, aardappelen en tarwe overgezet na weer een mooie zomer op de beste landbouwgrond van Nederland.
Toch is mijn liefde voor het eiland vervaagd, weggedrukt, vervangen door bitterheid. Uiteindelijk sneuvelde de eeuwenoude idylle namelijk toch, zij het door een aanval uit onverwachte hoek. Natuurmonumenten wist het in handen te krijgen en maakte meteen duidelijk dat het zou worden ‘teruggegeven aan de natuur’.
Het was mij een raadsel hoe dat moest, op die plek nog meer natuur toevoegen. Weleens een bloeiend aardappelveld gezien? De bollenvelden zijn er niets bij. Maar de groene maffia was compromisloos: alle boeren eraf, de dijken doorsteken en de natuur zijn gang laten gaan.
De laatste boer die het eiland moest verlaten, nu tien jaar geleden, was Leen Vos. Zoon van Adri Vos, die behalve boer op Tiengemeten wethouder van Zuid-Beijerland was. Het hele leven van Leen draaide om Tiengemeten. Hij trouwde er met zijn buurmeisje Mariska Verlinde, met wie hij tijdens die strenge winter in die helikopter had gezeten. En hij moest er het verlies verwerken van zijn moeder Geertje (presidente van de Plattelandsvrouwen in de Hoeksche Waard), die verongelukte toen ze van de boerderij naar de haven reed om nog snel de pont te halen. De brandweerwagen moest worden overgezet, om (vergeefs) hulp te bieden bij de boom die haar noodlottig werd.
Meewarig heb ik de afgelopen jaren gevolgd hoe het ‘teruggeven aan de natuur’ uitpakte. Vanaf de A29 staan bordjes richting Tiengemeten, om te voorkomen dat de duizenden bezoekers dwars door de dorpen rijden. Het kleine pontje van Bijl vaart nauwelijks meer, omdat elk uur de bietenpont nodig is om hordes dagjesmensen en vakantiegangers over te zetten. Een stuk natuur naast Café Veerdienst is opgeofferd voor een parkeerplaats waar de auto’s en bussen kunnen worden gestald.
Ja, de dijken zijn doorgestoken. Tiengemeten is deels veranderd in moeras. Bloemen hebben de vrije hand en mogen zelfs in het zaad schieten – vroeger zou dat geen boer zijn overkomen. Café Veerdienst bestaat niet meer, want op het eiland kwamen twee musea, een bezoekerscentrum, een herberg met restaurant en verspreid over de boerderijen en de arbeidershuisjes nog een zwik appartementen. In veel gevallen, zo wordt gefluisterd, wordt die kermis gerund door vriendjes van Natuurmonumenten. ‘Van die alternatievelingen uit Amsterdam’, klinkt het dan. O ja, er is ook nog een natuurspeeltuin voor kinderen, die veel weg heeft van een pretpark. Maar dan een met blubber, water en zicht op natuur.
Al die jaren heb ik Tiengemeten gemeden. Uit piëteit met de verjaagde boeren, die uiteindelijk letterlijk het veld moesten ruimen voor het mooiste speeltje van de natuurbeweging. Geen zin deel uit te maken van het sprookje dat hier een stukje oud-Nederland in oude glorie zou zijn hersteld.
Het laatste weekeinde van oktober was ik er dan toch. Na de film ‘Levende rivier’ van cineast Ruben Smit, waarmee de donderdag ervoor het Wildlife Filmfestival Rotterdam werd geopend, moest ik toch eens met eigen ogen zien wat er is geworden van het project. Huib, de zoon van Wout, zette ons in dichte mist over naar het haventje waar ik het laatst als verslaggever had aangelegd. We maakten de overtocht samen met enkele tientallen dagjesmensen, niet eens zo veel deze keer.
En, viel het mee? Sommige vooroordelen zijn bevestigd, maar zeker niet allemaal. Het eiland is prachtig en tussen die nog steeds machtige rivieren beleef je het Nederlandse getijdenlandschap op een unieke manier. Waar vroeger de gewassen groeiden op strakke akkers, tiert het ´onkruid´ nu welig. Er rijdt nog steeds bijna geen auto, dus je kunt er prachtig fietsen en wandelen. Je ziet er vogels die je aan de vaste wal vrijwel nooit tegenkomt. De zeearenden, die ik af en toe ook vanuit mijn huis boven het eiland kan zien cirkelen, vertoonden zich nu niet. Maar bij het optrekken van de mist ontvouwde zich een plaatje waar een mens zomaar weer verliefd op zou kunnen worden.
Herenigd met Tiengemeten. We gaan vast nog eens terug.

Het mausoleum in Hanoi is pompeus, naar onze maatstaven over the top. Een hele stadswijk is ervoor afgezet. Een kilometer loop je er omheen, waarna jij en je spullen door een security check gaan die ik verder nog nergens in Vietnam ben tegengekomen. Camera’s en elektronische apparatuur inleveren!
Perfect georganiseerd krijgt iedereen zijn camera en apparatuur weer terug. Tijd voor selfies met de zijkant van het mausoleum, of een formele shoot met een van de vele fotografen die hier staan om Het Moment in het leven van de Vietnamees te vereeuwigen.


Meanderend door een al even zorgvuldig aangeharkt park bereiken we de uitgang. Het gewone leven neemt hier zijn loop. Nog voor we het complex uit zijn, doemen de souvenirstalletjes op. T-shirts, beeldjes, voor de kinderen uniformpjes in alle kleuren, maar ook uitstallingen met goud, zilver en diamanten.
De reusachtige man naast haar laat alle alarmbellen afgaan. Verbeten blik ik de ogen, afzichtelijk gouden horloge om de pols, hoewel het 25 graden is zwarte handschoentjes aan, zonder vingers. Op zijn buik een enorme spiegelreflex, op zijn linkerheup een dikke geldtas die met een band om zijn middel én om zijn bovenbeen op zijn plek wordt gehouden, op zijn rechterheup een cameratas die groot genoeg is om de apparatuur van een modaal televisiestation in te verplaatsen.
Als decorstuk gebruikt ze de iPad waarmee ze zelf haar foto’s maakt (jawel, er zijn mensen die dat doen, ik heb zelfs al iemand gespot die al zijn foto’s maakt met een enorme iPad Pro). De Chinese dame houdt de tablet afwisselend tegen het lichaam, of juist stralend in de lucht.


reling en dondert drie meter lager de baai in. Het laatste wat we zien, is dat hij probeert zijn camera in zijn val boven water te houden – vergeefs, natuurlijk.

Zelfs in het openbaar vervoer moet je oppassen. Als we tegen 8 uur ’s ochtends bij een van de officiële busstations van Hanoi aankomen voor een rit naar Halong Bay, roept een vriendelijk knaapje dat we nog net met de bus van 8 uur mee kunnen, als we opschieten. Samen met een Rus stellen we de vraag die elke toerist hier voor in de mond ligt: ‘How much?’
van 8 uur is net weg. ‘O nee, toch niet,’ zegt de verkoopster en ze schrijft nieuwe kaartjes uit. ‘Loop maar met hem mee’, zegt ze en wijst naar het knaapje van zojuist. Die staat aan het loket naast ons kaartjes te kopen. Voor de Rus en de andere mensen die hij voor 200.000 de bus in heeft weten te praten. Per ticket 120.000 dong winst, dat is een rendement van 150 procent voor het oplichtertje. Als we bij de bus aankomen, verontschuldigt hij zich bij de chauffeur dat wij echte kaartjes hebben. Die zit dus ook in het complot.
Ik kijk dus niet gek op als bij aankomst in het hotel meteen een plattegrondje wordt gegeven met de tailorshop erop. Daar begint mijn misrekening, want Hoi An heeft niet één tailorshop, maar vierhonderd. Er zijn er meer dan restaurants. Getuige de duizenden beoordelingen die ze krijgen op Tripadvisor, gaat het ze voor de wind.
dollar moet lukken. Dollars ja, want zodra de bedragen groot worden, communiceert de Vietnamese middenstander in de munt van de oude vijand. Zestig dollar klinkt aanlokkelijker dan 1,4 miljoen dong.
een prachtige lichte tint kasjmir heb besteld. De tweede keer moest Hay me bedwingen. ‘You leave tomorrow. Now it’s too late to order extra’s.’
De symbolen die samengaan met Tét zijn niet te missen. Waar wij onze kerstbomen hebben, haalt hier iedereen bloemen in huis. Vooral gele, en dan in overweldigende hoeveelheden chrysanten die in aardewerk potten bij honderden op de trottoirs staan. Achterop de brommert gaan ze mee naar huis. Voor wie dat te dol vindt, zijn er ook leuke bonsaiboompjes met gele bloemen.





Dat laatste blijkt maar ten dele waar. ‘Ik ben vandaag gevallen met de scooter. Het was in een bocht waar ineens veel zand lag. Er zit een grote (en echt diepe) wond in mijn onderarm, bij elleboog. Verder zijn m’n armen, knie en tenen geschaafd.’
‘Voor de zekerheid heb ik dus antibiotica,’ zegt de Aziatische reizigster nog ter geruststelling. De dagen erna worden de berichten en de meegestuurde foto’s huivering-wekkend. ‘Het gat is al een stuk kleiner. Wel opnieuw antibiotica gehad en pijnstillers.’ Een week later, inmiddels vanuit Laos: ‘Het probleem is dat die wond zo diep is. Er komt nu elke keer zooi uit (ziet er een beetje uit alsof je kip gaat bakken en er allemaal van dat eiwit uitkomt).’