













Het is de overtreffende trap van wrang. Terwijl de grote Vietnamese leidsman Ho Chi Minh eenvoud predikte en een simpele crematie als laatste wens had, ligt zijn gebalsemde lichaam nu al bijna vijftig jaar in een van de meest protserige mausoleums die ik ooit heb gezien.
In een lange, tot in detail geregisseerde rij (‘Walk two by two!’) schuifelen we langs de glazen kist, waarin het wasachtige maar o zo herkenbare gezicht extra griezelig wordt door de gele lampen waarmee het wordt aangelicht. Het kenmerkende sikje ligt er keurig bij. Ik probeer me voor te stellen hoe een Vietnamese bediende eens in de zoveel tijd met heilig ontzag de crypte betreedt om de vlassige haren in model te leggen. Precies zoals we ze kennen van de foto’s, de standbeelden, de portretten, de T-shirts, de petjes, de vlaggen, de handdoeken en de sculptuurtjes voor op de schoorsteenmantel.
Het mausoleum in Hanoi is pompeus, naar onze maatstaven over the top. Een hele stadswijk is ervoor afgezet. Een kilometer loop je er omheen, waarna jij en je spullen door een security check gaan die ik verder nog nergens in Vietnam ben tegengekomen. Camera’s en elektronische apparatuur inleveren!
De lange weg richting het plein waaraan het dodenpaleis ligt, is overdekt. Om de drie meter hangen boven onze hoofden tv-schermen waarop kennelijk beroemde Vietnamese artiesten de grote daden van Oom Ho bezingen. De snik in hun stem maakt André Hazes postuum jaloers.
Op het plein worden we in strakke rijen gemanoeuvreerd. De uniformen van de militairen zijn inmiddels niet meer lichtgevend groen, maar oogverblindend wit. En er zijn er veel, heel veel. Ze spieden de groepen af op toch nog binnengesmokkelde apparatuur, of ongepast gedrag (handen in zakken, te frivole lach, een luider gesprek dan fluistertoon). De Vietnamese kindertjes beseffen welk heiligdom ze betreden en geven geen kik. Het jongetje van een jaar of acht in de rij voor ons zet zijn pas ongemerkt om in marcheren.
De soldatendichtheid neemt toe naarmate we de marmeren trappen naar het Heiligdom naderen. Er ligt een rode loper, maar hij is van rubber. Op weg naar boven spieden de witte uniformen met schichtige ogen door de rijen. Bij de ingang hebben ze vervaarlijke bajonetten op de loop van hun geweer.
Dan staan we in de zaal waar Ho zijn laatste rustplaats heeft. Op de vier hoeken van zijn praalgraf een militair, op de omgang ernaast nog een dozijn. We hebben gelezen dat iedereen wordt geacht een buiging te maken voor de Vader des Vaderlands, maar daar blijkt niets van. Binnen een minuut staan we weer buiten.
Perfect georganiseerd krijgt iedereen zijn camera en apparatuur weer terug. Tijd voor selfies met de zijkant van het mausoleum, of een formele shoot met een van de vele fotografen die hier staan om Het Moment in het leven van de Vietnamees te vereeuwigen.
Naast het complex ligt het presidentieel paleis waar Ho Chi Minh van 1954 tot zijn dood in 1969 woonde en werkte. Als buitenlandse toeristen maken we de fout hem in het gigantische kasteel van Franse architectuur te plaatsen, maar de Vietnamezen weten dat ze links moeten zijn, in de eenvoudige gebouwtjes.

Een slaapkamertje met een hard bed, een werkkamer met een houten bureau, een boekenkastje. Aan de muur portretten van Marx en Lenin. Als er al wat luxe te bespeuren is, dan is het in de garage met de drie automobielen die de president heeft gebruikt. De eerste was een Peugeotje, geschonken door Vietnamese onderdanen in Frankrijk. De andere twee zijn van oerdegelijke Sovjetmakelij, met een jaar tussenpoos geschonken door
de communistische vrienden in Moskou. Het is bijna ongeloofwaardig dat Ho de laatste, een Zis, heeft aanvaard. Het is een gevaarte waarbij onze suv’s in het niet vallen.
Meanderend door een al even zorgvuldig aangeharkt park bereiken we de uitgang. Het gewone leven neemt hier zijn loop. Nog voor we het complex uit zijn, doemen de souvenirstalletjes op. T-shirts, beeldjes, voor de kinderen uniformpjes in alle kleuren, maar ook uitstallingen met goud, zilver en diamanten.
Zelfs op deze gewijde grond lukt het niet de communistische idealen overeind te houden.















De reusachtige man naast haar laat alle alarmbellen afgaan. Verbeten blik ik de ogen, afzichtelijk gouden horloge om de pols, hoewel het 25 graden is zwarte handschoentjes aan, zonder vingers. Op zijn buik een enorme spiegelreflex, op zijn linkerheup een dikke geldtas die met een band om zijn middel én om zijn bovenbeen op zijn plek wordt gehouden, op zijn rechterheup een cameratas die groot genoeg is om de apparatuur van een modaal televisiestation in te verplaatsen.
Als decorstuk gebruikt ze de iPad waarmee ze zelf haar foto’s maakt (jawel, er zijn mensen die dat doen, ik heb zelfs al iemand gespot die al zijn foto’s maakt met een enorme iPad Pro). De Chinese dame houdt de tablet afwisselend tegen het lichaam, of juist stralend in de lucht.


reling en dondert drie meter lager de baai in. Het laatste wat we zien, is dat hij probeert zijn camera in zijn val boven water te houden – vergeefs, natuurlijk.

Zelfs in het openbaar vervoer moet je oppassen. Als we tegen 8 uur ’s ochtends bij een van de officiële busstations van Hanoi aankomen voor een rit naar Halong Bay, roept een vriendelijk knaapje dat we nog net met de bus van 8 uur mee kunnen, als we opschieten. Samen met een Rus stellen we de vraag die elke toerist hier voor in de mond ligt: ‘How much?’
van 8 uur is net weg. ‘O nee, toch niet,’ zegt de verkoopster en ze schrijft nieuwe kaartjes uit. ‘Loop maar met hem mee’, zegt ze en wijst naar het knaapje van zojuist. Die staat aan het loket naast ons kaartjes te kopen. Voor de Rus en de andere mensen die hij voor 200.000 de bus in heeft weten te praten. Per ticket 120.000 dong winst, dat is een rendement van 150 procent voor het oplichtertje. Als we bij de bus aankomen, verontschuldigt hij zich bij de chauffeur dat wij echte kaartjes hebben. Die zit dus ook in het complot.
Ik kijk dus niet gek op als bij aankomst in het hotel meteen een plattegrondje wordt gegeven met de tailorshop erop. Daar begint mijn misrekening, want Hoi An heeft niet één tailorshop, maar vierhonderd. Er zijn er meer dan restaurants. Getuige de duizenden beoordelingen die ze krijgen op Tripadvisor, gaat het ze voor de wind.
dollar moet lukken. Dollars ja, want zodra de bedragen groot worden, communiceert de Vietnamese middenstander in de munt van de oude vijand. Zestig dollar klinkt aanlokkelijker dan 1,4 miljoen dong.
een prachtige lichte tint kasjmir heb besteld. De tweede keer moest Hay me bedwingen. ‘You leave tomorrow. Now it’s too late to order extra’s.’


